TV NL EN

De Balie zoekt een Redactie Chef

solliciteer uiterlijk
10 juni 2026
Fulltime, 40 uur
In het hart van Amsterdam produceert De Balie talkshows en publieke programma’s over thema’s die ons allemaal aangaan voor zeer veel verschillende groepen. Met haar programmering vraagt De Balie voortdurend aandacht van publiek, politiek en media voor ontwikkelingen in de samenleving.

De Balie is op zoek naar een ‘chef de bureau’ die samen met het hoofd programmering en de artistiek directeur van De Balie de hoofdredactie van De Balie kan vormen. De redactiechef is onderdeel van het MT, dat bestaat uit vijf leden en de directie. De redactiechef begeleidt de redactie op dagelijkse basis, coördineert de dagelijkse programmering, en kan met kennis en ervaring de programma’s van de redactie inhoudelijk verdiepen en verrijken. De redactiechef speelt een verbindende rol tussen de afdelingen en de redactie onderhoudt contacten met de vele inhoudelijke partners van De Balie.

De Balie gelegen aan het Leidseplein in Amsterdam is een Centre of the Arts en een nationaal gesprekscentrum. Kunst en actualiteit zijn de twee polen waar onze publieksprogrammering omheen draait. Per jaar worden meer dan 400 eigen producties geprogrammeerd; van debatten, gesprekken, interviews, lezingen tot theatrale producties en exposities. Veel programmering is internationaal en in het Engels. Daarnaast produceert De Balie wekelijks externe programma’s in het land en biedt haar gezellige café-restaurant elke dag onderdak aan een breed publiek van reizigers, vaste bezoekers en werkenden.

De redactie van de Balie vormt de spil van onze instelling en programmering. Samen met externe maatschappelijke partijen zoals kunstenaars, uitgeverijen, NGO’s en bedrijven programmeert ze op dagelijkse basis eigenzinnige programma’s onder redactionele onafhankelijkheid. Daarnaast produceert de redactie op eigen gezag interviews, boekbesprekingen en/of debatten die verdieping geven aan actuele vragen en ontwikkelingen.

De redactie wordt leidinggegeven door een hoofdredactie die naast de artistiek directeur bestaat uit het hoofd programmering en de redactiechef. De Balie zoekt voor een nieuwe positie een veelzijdige collega die de inhoudelijke, organisatorische en praktische schakel vormt tussen de redactie en de vele partners: een chef de bureau.

Wie zoeken wij?

  • Jij hebt ruime ervaring in de journalistiek of het theater. Je bent zowel inhoudelijk op de hoogte van de kunsten als van de actuele ontwikkelingen in de wereld.
  • Je hebt een open, nieuwsgierige blik en kunt weloverwogen tot een oordeel komen.
  • Jij bent een sterk ontwikkelde teamspeler waarbij jouw ego ondergeschikt is aan het team en de te behalen doelstellingen.
  • Je bent het aanspreekpunt voor de redactie en werkt samen met de artistiek directeur aan de dagelijkse gang van zaken.
  • Jij hebt een HBO/WO werk- en denkniveau en ervaring met het werken op een redactie.
  • Je bent empathisch en luistert goed, je bent het eerste aanspreekpunt voor redacteuren.
  • Je schakelt soepel tussen de redactie en de rest van de organisatie en versterkt de onderlinge samenwerking.
  • Je bent goed in plannen en organiseren.
  • Je hebt een hands-on en oplossingsgerichte mentaliteit en bent stressbestendig.
  • Jij bent flexibel qua werktijden en werken in de avonduren vind je geen probleem.
  • Je bent in staat programma’s voor te zitten of bent bereid om dit te leren.

Wat breng je mee?
Naast de eigen specifieke kennis en vaardigheden voor de uit te voeren functie, vindt De Balie dat iedere werknemer voldoende mate van zelfstandigheid, flexibiliteit, initiatief, creativiteit, goede sociale vaardigheid en representativiteit moet bezitten voor het beoefenen van zijn of haar functie.

Wat bieden wij?

  • Een dienstverband van 40 uur per week met een marktconform salaris tussen de €4.092 en de €5.500 bruto per maand op fulltime basis, afhankelijk van leeftijd en ervaring;
  • De mogelijkheid om naar hartenlust onze programma’s en films te bezoeken;
  • Een gevarieerde baan met voortdurende ontwikkelingen en ruimte voor inhoudelijke reflectie;
  • De kans om je te ontwikkelen op een prominente plek waar altijd wat gebeurt;
  • Een inspirerende, dynamische en internationale werkplek in het hart van Amsterdam;
  • Een open, professioneel en bevlogen team van collega’s.
  • Een werkplek in het hart van Amsterdam aan het Leidseplein.

Solliciteren
Stuur je motivatiebrief met CV o.v.v. “redactiechef” uiterlijk 10 juni 2026 naar solliciteren@debalie.nl. Voor inhoudelijke vragen over de functie kun je contact opnemen met Yoeri Albrecht, via solliciteren@debalie.nl


Acquisitie naar aanleiding van deze vacature wordt niet op prijs gesteld.

Solliciteer

Stuur je motivatiebrief met CV o.v.v. “redactiechef” uiterlijk 10 juni 2026 naar solliciteren@debalie.nl. Voor inhoudelijke vragen over de functie kun je contact opnemen met Yoeri Albrecht, via solliciteren@debalie.nl

Acquisitie naar aanleiding van deze vacature wordt niet op prijs gesteld.

Opinie van De Balie: ‘Voor veel ouderen wordt passend wonen een onbereikbaar labyrint’

Live Journalism
Het Parool

Onderzoeksjournalisten Rosalie Dielesen en Sylvia Vegter van De Balie deden onderzoek naar de digitalisering van de gemeente Amsterdam – en hoe dit ook Amsterdammers achterstelt, in plaats van vooruithelpt. Zij geven in dit opiniestuk een inkijkje in hun onderzoek.

In Nederland wonen veel mensen niet passend. Volgens de gemeente Amsterdam leven zo’n twaalfduizend gezinnen met een laag inkomen in te kleine sociale huurwoningen, terwijl veel ouderen juist te veel ruimte hebben: bijna de helft van de eenpersoonshuishoudens met meer dan honderd vierkante meter is ouder dan zestig jaar.

Amsterdam laat zien hoe het sociale huurstelsel in de praktijk vastloopt. Om doorstroom binnen de sociale huur te bevorderen, heeft de gemeente verschillende regelingen bedacht. Maar wie wil verhuizen, hulp wil aanvragen of zijn rechten wil uitoefenen, stuit op een digitale hindernisbaan vol ingewikkelde portalen en formulieren. Daar gaat het structureel mis.

Het onderzoek van de onderzoeksredactie van debatcentrum De Balie, Livejournalism, begon bij een oudere vrouw in Amsterdam-West die haar hele leven op dezelfde plek woont. We liepen mee met !Woon-coach Karin Huizinga, die ouderen begeleidt die niet meer passend wonen: wie de trap niet meer op kan, of juist te veel ruimte heeft.

Wisselen tussen tablets

De vrouw vertelt over haar moeite om zelfstandig te blijven wonen, over ziekenhuisbezoeken en over het wisselen tussen een nieuwe tablet, die ze nog niet begrijpt, en een oude die traag werkt. Huizinga noteert alles zorgvuldig. Ze merkt dat veel ouderen afhaken: stapels brieven, wachtwoorden en mapjes blijven ongebruikt, en digitale portalen zoals MyQii raken snel verstrikt in foutmeldingen en ingewikkelde menu’s.

“Het gaat zelden om onwil,” zei Huizinga in november in De Balie. “Mensen haken gewoon af.” Aan de keukentafel komen steeds dezelfde vragen terug: waar vraag je stadsdeelvoorrang aan? Wat houdt een seniorenregeling in? Hoe weet je of je ergens recht op hebt? Voor veel ouderen wordt passend wonen zo een onbereikbaar labyrint.

Onrealistisch beleid

Digitale drempels, veranderende inlogmethodes en verloren accounts zorgen dat ouderen afhaken, ondanks hun woonwens. Onderzoek op verzoek van de Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties laat zien dat er tussen 2020 en 2023 10.000 woningen werden aangeboden via verhuisregelingen, maar slechts 750 woningen zijn op die gronden toegewezen. Een schrijnend laag aandeel dat laat zien hoe weinig mensen profiteren van vastgestelde regelingen.

Het probleem is structureel: beleid gaat uit van digitale zelfredzaamheid die voor veel ouderen niet realistisch is. Wie langer in een te grote of slecht toegankelijke woning blijft, loopt een verhoogd risico op vallen, ongelukken en gezondheidsproblemen.

Diezelfde digitale muur treft ook economisch daklozen. Wekelijks zien we bij opvangorganisatie (voor mannen) Daadkr8 in Nieuw-West hoe hard digitalisering kan uitpakken: mannen met een biculturele achtergrond, sommige met hun kinderen, zitten aan tafels met laptops, begeleid door vrijwilligers, worstelend met portalen, wachtwoorden en formulieren. Geen DigiD, geen laptop, geen stabiel e-mailadres of beperkte taalvaardigheid kan direct leiden tot afwijzing én dus tot een slaapplaats die verloren gaat.

Sheltersuit gestolen

Recent kwam die kwetsbaarheid nog scherper in beeld toen bij het mannencentrum werd ingebroken en een sheltersuit werd gestolen: een wind- en waterdichte jas met een afritsbare slaapzak, ontworpen om directe bescherming te bieden tegen de elementen. “Als ze het hadden gevraagd, had ik ze er zo een meegegeven,” vertelt Oscar, ervaringsdeskundige. Zonder de constante inzet van vrijwilligers zouden veel van deze mensen letterlijk op straat staan, zonder toegang tot opvang, zorg of ondersteuning.

Digitalisering is niet neutraal; ze creëert winnaars en verliezers. In Nederland woont ongeveer een kwart van alle huishoudens in sociale huur, in Amsterdam zelfs ruim een derde, maar toegang tot deze woningen en regelingen verloopt steeds vaker digitaal.

Basisvaardigheden zoals een laptop, een e-mailadres en digitale geletterdheid worden stilzwijgend verondersteld, terwijl de overheid sneller digitaliseert dan veel burgers kunnen bijbenen. Wie het niet redt, valt buiten de boot én vaak buiten beeld. Dat leidt tot een democratisch tekort: rechten worden afhankelijk van vaardigheden, niet van het recht zelf.

Tegen deze achtergrond presenteert wethouder Zita Pels (Volkshuisvesting, GroenLinks) in april het doorstroomoffensief ‘Passend wonen in Amsterdam’ – een ambitie om de vastgelopen woningmarkt weer in beweging te krijgen. De kern: vergroting van de doorstroom door mensen meer kans te geven een woning te vinden die bij hun situatie past, en zo woningen vrij te maken voor andere woningzoekenden.

De maatregelen omvatten onder meer het verruimen van verhuisregelingen, financiële ondersteuning bij verhuizen, en de inzet van woon‑ en verhuiscoaches om mensen te begeleiden in het vinden van een passende woning. Zo hoopt Amsterdam barrières rond digitalisering en informatie te slechten.

Behoefte aan menselijkheid

Deze aanpak komt niet uit de lucht vallen. Amsterdam experimenteert ook met proefregelingen, zoals het openstellen van kleinere woningen voor woningzoekenden zonder urgente voorrang, en wil bij verhuur meer werken met inschrijfduur in plaats van alleen voorrangsregels, omdat de wachttijd voor een sociale huurwoning in de stad gemiddeld meer dan een decennium is en gezinshuizen voor velen onbereikbaar blijven zonder beweging in de voorraad.

Toch blijft er een onmiskenbare kloof tussen beleid en praktijk. Want zolang de uitvoering van het doorstroomoffensief vooral via digitale systemen verloopt, en ondersteuning ad hoc of projectmatig wordt aangeboden, zullen kwetsbare groepen afhaken.

Hybride toegang zoals fysieke loketten, telefonische ondersteuning en begrijpelijke begeleiding is geen luxe, maar een noodzaak. De gemeente en woningcorporaties nemen mondjesmaat wooncoaches aan, maar digitale hulp moet structureel gefinancierd worden en mag niet afhangen van vrijwilligers.

Amsterdammers hebben behoefte aan menselijkheid. Zorg dat er weer aanspreekpunten komen voor bewoners in hun eigen wijk, zodat mensen op loopafstand van hun woonplaats in gesprek kunnen gaan, begeleid worden bij elk stapje in het proces, en geen digitale drempels hoeven te overwinnen om hun basisrecht – passende huisvesting – te realiseren. Zolang dat niet gebeurt, moderniseert Amsterdam wel, maar blijft ze haar meest kwetsbare bewoners vergeten.

Oudere migranten hebben moeite met vinden passende woning: “Maak het laagdrempeliger”

Live Journalism
AT5

De komende vijf jaar zal het aantal senioren met een migratieachtergrond in de stad verdubbelen. Diverse organisaties maken zich zorgen over de woonsituatie van deze groep. Uit onderzoek van stichting !Woon blijkt dat veel ouderen willen verhuizen, omdat hun huidige woning niet geschikt is. Maar vaak weten ze niet hoe ze dit moeten aanpakken en zijn ze onvoldoende op de hoogte van bestaande regelingen. 

Zoals bijvoorbeeld Fatima. Zo’n tien jaar woont ze nu in een appartement in Holendrecht. De woning die ze heeft, is te groot. Vier kamers, terwijl ze er in haar eentje woont. “Ik ga scheiden. Ik ben alleen, dat is moeilijk voor mij.” Ook het feit dat haar appartement op de tweede verdieping zit en er geen lift in het gebouw zit, zorgt voor problemen. “Ik wil graag een benedenhuis, want ik heb klachten in mijn beide benen.”

Voor mensen zoals Fatima, die hun woning graag zouden willen ruilen met mensen die op zoek zijn naar iets groters, zijn verschillende regelingen in Amsterdam. Maar wat je moet doen om daar aanspraak op te kunnen maken, blijkt vaak lastig, merkte ook Fatima. “Ik vertelde Eigen Haard dat het grote huis te veel voor mij is. Maar dat is al heel lang geleden, ik heb nooit antwoord gekregen.”

Zulke problemen spelen vaker bij oudere Amsterdammers met een migratieachtergrond, blijkt uit onderzoek van stichting !Woon. Deze mensen hebben bij hun woningcorporatie vaak het idee dat ze tegen een dichte deur aanlopen.

Sommigen stappen naar migrantenorganisaties als Emcemo, een activistische stichting die opkomt voor Nederlanders met een Marokkaanse achtergrond. Volgens Mekki Aulud Ahmed, vrijwilliger bij Emcemo, is taal de grootste barrière. “De eerste generatie migranten heeft daar vooral veel moeite mee. Sommigen hebben kinderen die hen kunnen helpen, maar mensen die geen kinderen hebben komen vaak in de problemen.”

Niet alleen mensen die een kleinere woning zoeken, kloppen aan bij dit soort organisaties; er zijn ook veel oudere migranten die in een oude, slecht onderhouden woning zitten en bijvoorbeeld last hebben van schimmel. Door de vergrijzing wordt bovendien het aantal ouderen met woonproblemen naar verwachting alleen maar groter. Tijd voor actie, aldus Aulud Ahmed. “Ik vind dat woningbouwverenigingen laagdrempeliger moeten zijn voor deze groep.”

Dat is ook een van de aanbevelingen die stichting !Woon in hun onderzoek heeft gedaan. De Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties (AFWC) zegt dat die aanbevelingen niet zijn overgenomen. “Corporaties hebben geen specifiek proces voor ouderen met een migratieachtergrond. Dus concreet hebben ze geen invulling gegeven aan de aanbeveling van stichting !Woon. Wel zijn er woongroepen voor migrantenouderen en bieden sommige corporaties de belangrijkste informatie meertalig aan.” 

Eigen Haard, de woningcorporatie waar Fatima mee te maken heeft, zegt in een reactie dat ze druk bezig zijn om de doorstroom te verbeteren, maar dat het vinden van een passende woning arbeidsintensief is en dus veel tijd kost. Ze adviseren bewoners daarom om het op tijd te melden als ze merken dat ze toe zijn aan een ander huis. Dat sommige bewoners de taal niet beheersen, blijft een extra barrière, zegt Eigen Haard. Dat is iets wat ze in de toekomst mee zullen nemen, belooft de woningcorporatie. 

“In onze cultuur moet je juist voor ouderen zorgen”, zegt Aulud Ahmed. “Als wij onze ouderen in de steek laten, dan mogen wij als nieuwe generaties daar ons best een beetje voor schamen.” 

Door: Maarten Westerduin

Hein wacht al tien jaar op een woningruil: “Kinderen delen met z’n drieën een slaapkamer”

Live Journalism
AT5

Al ruim tien jaar probeert Hein de Wit van woning te ruilen met een andere huurder van De Alliantie. Het gezin woont met zijn vijven plus hond in een tweekamerappartement en nu de kinderen aan het puberen zijn, is het niet meer te doen. Meerdere keren probeerde hij oudere, alleenstaande bewoners met meer slaapkamers te overtuigen om te wisselen, maar: “Hoe ouder iemand wordt, hoe moeilijker het voor ze is om te verhuizen.”

Het huis, gelegen op een gewilde locatie vlak naast Artis, staat vol met spullen. De 17-jarige Witte geeft ons een rondleiding van zijn slaapkamer. Een korte rondleiding, want de kamer, die hij deelt met zijn jongere broer en zus, is klein. 

“Hier beneden in dit stapelbed slaap ik, en daarboven mijn kleine broertje. En hier in de hoek slaapt mijn zusje.” Witte speelt basketbal en is al langer dan twee meter. Hij laat zien hoe klein zijn bed is. “Als ik lig steken mijn voeten helemaal uit. Ik slaap met sokken aan, want anders krijg ik koude voeten”, lacht hij. 

Gouden kooi

Toen Hein de Wit de woning toegewezen kreeg was Witte pas net geboren. Op dat moment was het tweekamerappartement perfect voor hun situatie. Maar inmiddels zijn er twee kinderen en een hond bijgekomen. Vader en moeder slapen in een slaapkamer, de drie kinderen in de ander. “We barsten uit onze voegen. Het is een gouden kooi, hoe groter de kinderen worden, hoe meer het bekneld”, zegt Hein. 

Al tien jaar probeert hij te ruilen met iemand anders die huurt van de woningcorporatie, in zijn geval De Alliantie. Dat is gebruikelijk. Huurders kunnen met elkaar afspreken te willen ruilen – bijvoorbeeld als een groter wil wonen, en de ander liever op een andere locatie – en het laten toetsen bij de corporatie. Als alle partijen toestemmen, kan de ruil doorgaan. Bij De Alliantie zijn er tot november dit jaar circa dertig woningruilen uitgevoerd. 

Hein dacht dat zijn woning op de begane grond, geheel gelijkvloers en naast Artis, wel in trek zou zijn. Maar de realiteit is anders. “Ik kan wel drie voorbeelden geven van mensen die al wat ouder zijn en het moeilijk vinden om weg te gaan uit hun woning. Sommigen sluiten zich zelfs op in een hoog appartement met vier à vijf kamers met trappen als ze slecht ter been zijn. Terwijl ze hier makkelijk naar binnen en naar buiten kunnen.”

12.000 gezinnen in te kleine corporatiewoning

Hein is niet de enige in deze situatie. Volgens de gemeente wonen zo’n 12.000 gezinnen met een laag inkomen in een te kleine sociale huurwoning. Daar tegenover staat dat vooral ouderen te groot wonen. Van alle eenpersoonshuishoudens met een sociale huurwoning van meer dan 100 vierkante meter, is bijna de helft ouder dan zestig jaar. 

“Vaak zeggen ze dat ze wel willen, maar dan gaat het toch heel moeilijk als het tijd wordt om daadwerkelijk te verhuizen”, vertelt Hein. “We bieden zelfs aan dat wij ze helpen met verhuizen, of eerst tijdelijk ruilen, een soort proefwonen. Maar dan willen ze toch niet.”

Maar naar een andere stad verhuizen, wil Hein ook niet. Vanwege de jonge kinderen, zegt hij. “Mijn zusje vindt het echt niet fijn”, legt Witte uit. “Mijn broertje is nog jong en kan er nog goed mee omgaan, maar mijn zusje is nu 13 en ze is een meisje, dus ze wil het liefst haar eigen kamer.”

En dat zien de gemeente en de woningcorporaties ook. De gemeente zet sinds begin dit jaar doorstroomcoaches in die mensen moeten helpen met verhuizen, en de grote woningcorporaties in de stad hebben vorige maand een convenant gesloten om woningruil makkelijker te maken. Maar Hein is sceptisch over of het gaat werken: “Als ik het lees, zie ik goede bedoelingen, maar daar kan ik niet in wonen. Dit leeft al tien jaar. Het gaat uiteindelijk om persoonlijke interactie, en de menselijke maat.”

De Alliantie zegt in een reactie dat ze bekend zijn met de situatie van Hein en hem ook bijstaan, maar dat veel mensen op dit moment zoek zijn naar een grotere woning. Ze adviseren dan ook niet alleen in te zetten op een woningruil, maar ook in te schrijven bij Woningnet. 

Hein zegt positief te blijven, maar hoopt dat de woningcorporaties wat minder beleid van bovenaf gaan invoeren, maar wat meer de verbinding tussen huurders gaan stimuleren. “Ik mis echt de menselijke maat in het ruilen.”

Door: Lotte Rigter




Jong, eenzaam en depressief: hoe worden mbo-studenten weer gelukkig?

Live Journalism
AT5

Een opeenstapeling van verantwoordelijkheden die zorgt voor prestatiedruk en stress: mbo-studenten kampen vaker met mentale problemen dan leeftijdsgenoten op andere opleidingsniveaus. Door bezuinigen op het onderwijs bestaat nu de kans dat jeugdartsen uit het mbo worden wegbezuinigd, terwijl die een belangrijke spil zijn in het opsporen van mentale problemen.

“Ik heb al mijn hele leven last van mentale problemen, op mijn achtste had ik al heel compulsieve smetvrees”, zegt de achttienjarige Mijntje. Ze zit in het tweede jaar van haar mbo-opleiding Mediavormgever. Tijdens corona bereikte ze haar “dieptepunt”, zoals ze het zelf noemt, maar meer wil ze daar online liever niets over kwijt.

Bij Aaron, ook achttien, begonnen de problemen tijdens de coronaperiode: “Dat was een lastige periode, met veel overlijdens in de familie, ook door corona. Dat raakte mij wel heftig.” Hij is net gestopt met zijn mbo-opleiding Podiumtechniek, maar hoopt in september met een muziekopleiding aan het ROC van Amsterdam te starten.

Allebei doorliepen ze een hulpverleningstraject via de GGZ, maar desondanks lukt het ze niet om lekkerder in hun vel te komen. En zij zijn zeker niet de enigen die met hun mentale gezondheid worstelen. Uit onderzoek van de GGD Amsterdam blijkt dat 52% van de jongvolwassenen (16-25 jaar) in Amsterdam stelt (heel) vaak gestrest te zijn, en 23% wordt vaak tot voortdurend beperkt door psychische klachten.

Mbo-studenten hebben het daarbij zwaarder dan andere leeftijdsgenoten. Zij ervaren vaker prestatiedruk en stress door een combinatie aan verantwoordelijkheden op school, thuis en op het werk, zoals mantelzorg of financiële verantwoordelijkheden.

Zwaardere problematiek

Jeugdadviseur bij het ROC van Amsterdam Manon de Rooij ziet de afgelopen jaren veel studenten aankloppen met depressies: “Die zijn vaak gerelateerd aan trauma’s uit het verleden, verlieservaringen en problemen in de thuissituatie.”

Ze merkt bovendien dat de problematiek zwaarder wordt, doordat wachtlijsten bij de GGZ lang zijn: “Studenten die op de wachtlijst staan voor de specialistische GGZ overbruggen die tijd nu bij onze psychologen. Dat zijn jongeren met zware klachten, zoals dissociatie of derealisatie.”

Bij het ROC van Amsterdam hebben ze daarom van mentale gezondheid een prioriteit gemaakt. Jeugdadviseurs, -psychologen en -artsen werken er intensief samen en proberen hulp zo laagdrempelig mogelijk te maken. Zo heeft gz-psycholoog Nina Schuurmans-Jippes mede een lespakket ontwikkeld waarin jongeren leren over mentale gezondheid en mentale vaardigheden:

“Studenten leren onder andere hoe ze om kunnen gaan met sombere gevoelens, druk of financiële problemen, allemaal dingen die belangrijk zijn om goed in je vel te zitten.”

‘Vreselijk verdrietig’

Soms zijn de problemen zo groot dat jongeren zelfdoding overwegen; het afgelopen jaar had 42% van de mbo’ers daar wel eens over nagedacht, tegenover 23% van de universiteitsstudenten. Ook op het ROC is dit sinds corona een grote zorg.

Schuurmans-Jippes: “Voor corona maakte je het een paar keer per jaar mee dat een student gedachtes aan zelfdoding had, maar tijdens de pandemie gebeurde dat soms meerdere keren per week. Dat is inmiddels iets afgenomen, maar het gebeurt nog steeds vaak.”

Zelf maakte ze twee keer mee dat een student een einde aan zijn leven maakte: “Dat is natuurlijk verschrikkelijk en je hoopt dat je het kan voorkomen. In beide gevallen hadden we gelukkig zorginstanties ingezet, dus dan heb je het gevoel dat je alles geprobeerd hebt. Soms kun je het helaas niet tegenhouden en dat is vreselijk verdrietig.”

Bezuinigingen

Door bezuinigen op het onderwijs bestaat nu de kans dat jeugdartsen uit het mbo worden wegbezuinigd, terwijl die een belangrijke spil zijn in het opsporen van mentale problemen, waar jongeren vaak moeilijk over durven praten. 

De gemeente laat in een reactie weten dat nog wordt gesproken over de gemeentelijke begroting voor de komende jaren, maar dat het klopt dat er mogelijk in de toekomst met minder middelen gewerkt moet worden. “Tegelijkertijd is het onze inzet om de ondersteuning voor jongeren zo goed mogelijk op peil te houden. Mbo-studenten verdienen een veilige en ondersteunende omgeving, zowel op school als daarbuiten – dáár blijven we aan werken.”

Stigma

Op het ROC hebben ze meerdere verklaringen over waarom mbo’ers vaker worstelen met hun mentale welzijn. Zo zien ze veel leerlingen die op de middelbare school zijn uitgevallen, vaak al met problemen, die vervolgens op het mbo terechtkomen. Ook statushouders die – soms met trauma’s – voor het eerst in Nederland onderwijs volgen, komen op het mbo terecht. Mbo’ers zijn daarnaast vaak mantelzorger of hebben een onveilige thuissituatie, financiële zorgen of problemen met huisvesting.

Mijntje en Aaron merken bovendien dat er nog een behoorlijk stigma ligt op mbo-onderwijs. Mijntje: “Op de middelbare school deed ik havo, maar door mijn mentale problemen ging ik naar het vmbo en nu dus naar het mbo. Een tijdje geleden kwam ik oud-klasgenoten tegen, die vroegen welke opleiding ik deed. Toen ik zei dat ik op het mbo zat, zeiden ze: ‘Oh, wij doen jouw opleiding, maar dan op het hbo.’ Ik heb er lang over gedaan om te accepteren dat ik op het mbo zit, maar toen voelde ik me meteen weer onzeker en niet goed genoeg.”

“Sommige mensen vinden het gewoon lastig om uit boeken te leren en dan wordt er toch op je neergekeken”, aldus Aaron.

Op het ROC hopen ze dat alle scholen in de toekomst zorg op maat voor hun studenten aanbieden. De Rooij: “Niet alleen op het mbo, maar ook op hbo en wo, dat zou geweldig zijn.”

Reactie gemeente Amsterdam:

“De mentale gezondheid van Amsterdamse jongvolwassenen blijft een punt van zorg. Hoewel er een lichte verbetering zichtbaar is ten opzichte van twee jaar geleden, zien we dat het voor veel jongeren nog steeds niet goed gaat. Daarom blijven we maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat Amsterdamse jongeren, zowel wo, hbo – als mbo-studenten, snel en laagdrempelig hulp kunnen krijgen wanneer dat nodig is.
 
Op elke mbo-schoollocatie in Amsterdam is er een mbo-jeugdteam bestaande uit jeugdadviseurs en jeugdpsychologen waar jongvolwassenen terechtkunnen met vragen over hun gezondheid, mentale welzijn, geldzaken of thuissituatie. Deze ondersteuning is kosteloos en ingebed in de dagelijkse leefwereld van de studenten. We zetten er stevig op in om dit ook zo te houden. Het mbo-jeugdteam werkt nauw samen met jongerenwerk, buurtteams en de Ouder- en Kindteams. Zo zorgen we ervoor dat jongeren direct op school of in hun wijk geholpen worden door professionals die hen kennen en begrijpen.
 
Daarnaast investeren we in preventieve programma’s die stress, prestatiedruk en mentale klachten helpen voorkomen.”

Door: Mirjam Eeken

Influencers steeds vaker als hulpverlener ingeschakeld: “Je wilt helpen, maar weet niet hoe”

Live Journalism
AT5

Privéberichten ontvangen van jongeren die gepest worden, zichzelf pijn doen of zelfs niet meer willen leven: het is voor veel influencers wekelijkse kost: “Dan zie je op dinsdagmiddag ineens een foto van een bebloede arm in je Snapchat.” Ook hulpverleningsinstanties zien dat jongeren vaker naar influencers trekken om hun mentale problemen te delen.


Hamza Karimi deelt op sociale media onder de naam Magic Nape video’s waarin hij met BN’ers of andere influencers goocheltrucs doet. Hij ontvangt bijna wekelijks privéberichten van volgers over hun mentale gezondheid.

Karimi: “Dat kan gaan over suïcidale gedachten of over zichzelf pijn willen doen. Voor mij is dat heel heftig, want ik ken die persoon niet, maar hij of zij heeft wel het idee dat hij mij kent.”

AT5 sprak voor deze reportage verschillende jongeren die toegaven privéberichten aan influencers te hebben gestuurd. Vanwege de gevoeligheid van het onderwerp en schaamte willen ze dit niet herkenbaar in beeld vertellen.

Hart luchten

Karimi is niet de enige die met deze berichten te maken krijgt. Bij MIND Us focussen ze zich op initiatieven om mentale problemen van jongeren de juiste aandacht en aanpak te geven. Een nieuw onderdeel daarvan is een training voor influencers. Directeur Frederieke Vriends: “We zijn daarmee begonnen door vragen die we van influencers zelf kregen. De eerste training zat direct vol.” 

Ook Hamza Karimi volgde die training: “Het grootste handvat dat ik heb gekregen is: hoe reageer je op de jongeren, hoe zorg je ervoor dat je ze niet afwijst, en naar welke instanties kan je ze verwijzen, dus bij wie kunnen ze terecht.”

Vriends: “Doordat jongeren elke dag iets zien van een influencer hebben ze heel snel het idee dat ze diegene heel goed kennen en dat ze hun hart kunnen luchten. Vaak weten influencers dan niet hoe ze daarmee om moeten gaan en heel vaak doen ze dan ook niets.”

Zowel Karimi als Vriends zien dat veel influencers met privéberichten over mentale gezondheid te maken krijgen. “Bijna iedereen die ik ken, ontvangt regelmatig zulke berichten”, aldus Karimi. 

Piek in klachten

Dat jongeren met mentale klachten kampen is al langer bekend. Uit onderzoek van de GGD Amsterdam blijkt dat vorig jaar 23% van jongvolwassenen (16-25 jaar) vaak tot voortdurend beperkt werd door psychische klachten. Tweeënvijftig procent van jongvolwassenen in Amsterdam stelt (heel) vaak gestrest te zijn. Met name mbo-studenten hebben regelmatig gedachten over zelfmoord: 42% zei hier vorig jaar wel eens aan gedacht te hebben, tegenover 23% van de universiteitsstudenten.

“Wij hebben sinds corona een enorme piek gezien in de mentale klachten die jongeren rapporteerden”, zegt Frederieke Vriends. “In de nasleep dachten we dat het te maken had met de coronamaatregelen, zoals de lockdowns en de schoolsluitingen, maar tot nu toe hebben we daar weinig correctie op gezien.”

Ze ziet daarbij pieken bij bepaalde groepen, zoals jongeren die meer druk uit de samenleving ervaren of jongeren met multiproblematiek, zoals schulden of minder perspectief: “Bij hen zien we veel somberheid, stress, angst en eenzaamheid.” 

Geen hulpverlener

En die berichten hebben niet alleen hun weerslag op de jongeren die ze sturen, maar ook op de influencers die ze ontvangen. Karimi: “Als ik via Snapchat foto’s krijg van iemand wiens arm onder het bloed zit doordat hij zichzelf pijn heeft gedaan, dan zit ik daar wel de hele dag mee. En eigenlijk wil je niet reageren, maar je weet dat je niet anders kan.”

In de training leren influencers dus met name hoe ze moeten reageren, het gesprek met jongeren kunnen aangaan en naar welke instanties zij hen kunnen doorverwijzen. Vriends: “Dat is ook wel nodig als je kijkt met welke klachten jongeren aankloppen. Een influencer die onze training volgde, kreeg eens een DM: ‘Jouw posts zijn het enige wat mij nog in leven houdt.’ Als je niet opgeleid bent als hulpverlener, dan schrik je daar wel van.”

In tegenstelling tot sommige andere influencers deelt Hamza Karimi zelf geen content over mentaal welzijn. Toch weten volgers hem te vinden met hun eigen problemen: “Ik denk dat ik heel erg mezelf ben op de socials en dat jongeren daardoor denken dat ze bij me terechtkunnen.”

Jongeren tussen de vijftien en 25 trekken natuurlijkerwijs eerder naar vrienden dan naar ouders, verzorgers of docenten om hun persoonlijke leven te bespreken. Maar volgens Vriends kan dat soms spannend zijn als het om je mentale gezondheid gaat: “Jongeren schamen zich of denken dat het beeld dat een ander van ze heeft zal veranderen. Dan is het dus veiliger om in de anonimiteit bij een influencer je verhaal te doen.”

En of dat nou per se slecht is? Vriends denkt van niet: “Maar daarbij is wel van belang dat de ander reageert op een manier die jou helpt, en daarom vinden we het zo belangrijk dat die influencers goed uitgerust zijn om dit te doen.”

Rooskleurig beeld

De vraag is uiteraard in hoeverre de influencer zelf mede onderdeel is van het probleem. De dagelijkse stroom aan stories en posts op de feed van jongeren doet al snel vermoeden dat iedereen een geweldig, vreugdevol en rooskleurig leven vol zelfvertrouwen leidt. En dat kan onzeker maken en somber stemmen.

 “Ja, je kunt inderdaad zeggen dat we enig aandeel hebben in het probleem, maar niet iedereen wil ook zijn persoonlijke situatie delen”, aldus Karimi. “Als ik me heel slecht voel, heb ik niet de behoefte om dat online te delen met anderen. Het staat ook niet in mijn beschrijving dat ik moet gaan praten over mentale gezondheid. Daar volgen de mensen mij ook niet voor.”

Karimi is in elk geval blij dat hij nu handvatten heeft om jongeren te helpen: “Iedereen voelt zich wel eens slecht. Als iemand in vertrouwen naar mij toekomt, dan is het wel zo netjes om te reageren.”

Door: Mirjam Eeken

Branderige ogen en keelpijn: toch is stankoverlast nauwelijks aan te pakken

Live Journalism
NRC

Geuroverlast:  Wie vlak bij industrie of veehouderijen woont, kan te maken hebben met stank. Vaak erkent een toezichthouder die geuroverlast, maar ontbreken mogelijkheden om adequaat op te treden.

Toen Gert-Jan Bakker in 2016 naar de Circusbuurt in Amsterdam-Noord verhuisde, viel hem bij zuidwestenwind een vreemde geur in de buurt op. „Een zware chemische lucht die, als je naar buiten stapt, in je gezicht slaat.” Bakker vertrouwde het niet en ging op onderzoek uit. Al snel ontdekte hij de bron: rookpluimen van de Amsterdamse kunstmestfabriek ICL. Hij kroop achter de laptop om zijn bevindingen te delen in onlinebuurtgroepen. „Mijn berichten kregen al snel veel reacties en toen wist ik dat ik niet de enige met klachten was.”

De ervaringen van de buurtbewoners varieerden van fysiek ongemak zoals branderige ogen en lichte keelpijn tot psychische klachten zoals stress. Bewonersorganisatie Adem Vrij aan het IJ bundelde hun verhalen in een zwartboek en overhandigde het aan de betrokken wethouder, Reinier van Dantzig (D66).

Niet alleen de kunstmestfabriek in Amsterdam stinkt. In heel het land klagen omwonenden over vieze geuren in hun buurt. In Arnhem komt het door een papierfabriek, in Noord-Brabant zijn het veehouderijen. In vergunningen is soms vastgesteld hoe erg een bedrijf mag stinken, althans hoeveel ‘odour units’ per kubieke meter (de eenheid voor geur) het mag uitwasemen. Maar omdat geuroverlast zo subjectief is – veel subjectiever dan geluidsoverlast – zijn harde geurlimieten vaak ontoereikend. Een bedrijf kan zich netjes aan de regels houden en toch geuroverlast veroorzaken.

Nederland mist heldere, eenduidige regels om stankoverlast vast te stellen. Het uitgangspunt van de beperkte landelijke regels die er wel zijn, is dat er sprake moet zijn van een „acceptabel geurhinderniveau”. Wat dat precies is, bepalen lokale overheden, wat leidt tot een versnipperd beleid. Toezichthouders snakken naar een landelijk kader.

Steeds meer klachten

In Amsterdam steeg het aantal stankklachten bij toezichthouder Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied van 84 in 2018 naar 531 in 2023. Die toename komt niet doordat er meer stank is, maar is een gevolg van oprukkende woningbouw. De afgelopen jaren is er flink bijgebouwd in de buurt van het bedrijventerrein waar ICL gevestigd is, waardoor woningen dichter bij de stank kwamen te staan.

Het probleem leek opgelost toen het bedrijf aankondigde te verhuizen naar dieper in de Amsterdamse haven, ver weg van de bestaande woningbouw. Maar vorig jaar zette de kunstmestfabriek een streep door de verhuizing. Door corona en de oorlog in Oekraïne waren de kosten te veel gestegen en was de verhuizing te duur geworden, aldus ICL. „Als bewoners waren we erg opgelucht toen bleek dat de fabriek ging verhuizen”, zegt Bakker. „Maar nog groter was de teleurstelling toen het niet doorging.”

Wat omwonenden ruiken, stelt de kunstmestfabriek, zijn de zwavelverbindingen die ontstaan bij een chemische reactie van fosfaaterts en zuur. Het bedrijf is bezig met testen om de stank te verminderen. Toch zijn het niet alleen de zwavelverbindingen waar omwonenden last van hebben. De fabriek stoot te veel zoutzuur uit en de GGD vermoedt dat dit de oorzaak is van de keelpijn, branderige ogen en de prikkelhoest die buurtbewoners ervaren. De omgevingsdienst houdt de zoutzuuruitstoot van de fabriek komend halfjaar in de gaten, en bij elke overtreding krijgt het bedrijf een boete van 125.000 euro.

Een boete opleggen voor de geuroverlast is daarentegen niet mogelijk. In de huidige vergunning voor ICL, die stamt uit 2003, zijn geen regels voor geur opgenomen. De omgevingsdienst is nu bezig de vergunning zo te actualiseren dat de geuroverlast wordt aangepakt, maar dat blijkt niet zo eenvoudig. Want hoe bepaal je of een geur overlastgevend is? Eerder gebruikte Noord-Holland daarvoor een panel van leden met een ‘gemiddelde neus’. Panelleden, vaak studenten, kregen in een lab een ballon met lucht uit een specifieke wijk ‘onder de neus’ en bepaalden dan hoe aangenaam de geur was. Maar de methode leverde te uiteenlopende resultaten op en is ingetrokken.

Om dit gat op te vullen, werken ze in Noord-Holland nu tijdelijk met een vaste lijst per bedrijfsactiviteit. Die lijst is gebaseerd op de zogenaamde ‘hedonische waarde’, de mate van (on)aangenaamheid van een geur die een bedrijfsactiviteit veroorzaakt. Zo mag een bakker bijvoorbeeld meer odour uitstoten dan een rioolzuiveringsinstallatie. Maar ook deze methode is niet optimaal omdat die nog steeds vrij abstract is en dus niet uitgaat van daadwerkelijke geuroverlast. De Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied verwacht dat dit nieuwe beleid helpt om de stankoverlast aanzienlijk te verminderen: „Maar we zouden graag een landelijk kader zien om de geurhinder vast te stellen”, vertelt Juriaan Mellema, teammanager Toezicht & Handhaving van de omgevingsdienst.

    In Arnhem lopen ze tegen dezelfde problematiek aan. De papierfabriek Parenco levert de omgevingsdienst rond de vijfhonderd meldingen per jaar op. Frank te Pas, senior adviseur Lucht en Geur bij de Omgevingsdienst Regio Arnhem, ziet ook gaten in het huidige geurbeleid. „We kijken nu niet naar hoeveel uur mensen worden blootgesteld aan de geur. Dat is natuurlijk vreemd, want de geur van een bakkerij wordt heel anders ervaren door iemand die langsfietst dan iemand die ernaast woont.”

    Nieuwe plannen

    Naast de beperkte landelijke wetgeving mist de toezichthouder in Brabant, waar vooral veehouderijen voor geuroverlast zorgen, ook duidelijkheid vanuit de lokale overheden: „Voorlopig zijn er geen omgevingsplannen opgesteld door gemeenten, waar de feitelijke geurhinder zou moeten worden gedefinieerd”, zegt Paul Hubers, senior adviseur lucht en geur van Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant. Op 1 januari 2024 is de nieuwe omgevingswet ingegaan en de wet vraagt gemeenten om de geurhinder te definiëren. Met andere woorden: hoe vaak mag het, hoelang, in welke mate stinken? Dat moet worden opgenomen in de nieuwe omgevingsplannen van de gemeenten, maar die laten op zich wachten. De deadline voor Amsterdam staat op 2032.

    De omgevingsdiensten werken momenteel aan een landelijke methode om geuroverlast goed te meten, die elke gemeente dan kan overnemen. Het is onzeker of landelijk beleid er uiteindelijk komt. Naar verwachting staat onder meer Femke Wiersma, de landbouwminister van BBB, niet te springen om beperkingen voor de veehouderijen.

    In Amsterdam-Noord kijken bewoners reikhalzend uit naar de nieuwe vergunning voor ICL. „We winnen advies in bij experts om ons te helpen met de herziening van de vergunning”, vertelt buurtbewoner Bakker. „Het kost veel tijd en energie, maar we moeten door. De stank gaat niet vanzelf weg.”

    Door: Sylvia Vegter

    Haven-Stad: willen we wonen in industriegebied?

    Live Journalism
    AT5

    Met 40.000 woningen en 58.000 arbeidsplaatsen moet Haven-Stad hét nieuwe woon-werkgebied rondom het Westelijk Havengebied worden. Maar de gemeente en de bedrijven in het gebied liggen al jaren met elkaar overhoop. Hoe moet Amsterdam omgaan met de groeiende vraag naar woningen aan de ene kant en de belangen van nabijgelegen industrie aan de andere kant?

    “Als die pluim precies je balkon opwaait, is dat niet te doen.” Hugo van Belois, adviseur lokale luchtkwaliteit en geurhinder, wijst naar de overkant van de Vlothaven, waar de rookwolken van kunstmestfabriek ICL Fertilizers goed zichtbaar zijn. 

    Haven-Stad is een project van de lange adem. De eerste woningen in Sloterdijk Stationskwartier zijn al opgeleverd; volgende projecten gaan tussen 2029 en 2040 van start. Dat betekent ook dat een aantal wijken al zal worden opgeleverd terwijl grote uitstoters in het Westelijk Havengebied er nog zitten. ICL, dat eerst in 2029 zou vertrekken,  blijft nu bijvoorbeeld tot 2040. 

    Jarenlange hinder

    Bewoners van de NDSM en Tuindorp-Oostzaan hebben al jaren last van de uitstoot van deze bedrijven. Eerder bleek al dat NDSM-bewoners in hun koopcontracten hierover ten onrechte niet waren geïnformeerd, terwijl de gemeente dit wel had beloofd.

    Dat de nieuwe Haven-Stadbewoners te maken zullen krijgen met stank- en geluidsoverlast, staat vast. De gemeente zegt hierover:

    “Om die reden zullen toekomstige bewoners in Haven-Stad vooraf goed worden geïnformeerd over de milieubelasting en getroffen maatregelen, zodat zij in de gelegenheid worden gesteld om bewust te kiezen voor wonen in een aantrekkelijke hoogstedelijke, maar ook milieubelaste omgeving.”

    Onverstandig, zegt Van Belois. “Ik zou de gemeente echt dringend adviseren om ernstige overlast te voorkomen, want het lijkt me onverstandig om nieuwe bewoners in net zo’n situatie te plaatsen als die op de NDSM en in Tuindorp-Oostzaan.”

    Creatief nadenken

    Stan Majoor houdt zich als planoloog op de HvA en UvA bezig met grootstedelijke vraagstukken en lokale planologie. Hij meent dat de overheid het met de huidige milieunormen ingewikkeld heeft gemaakt om op een meer creatieve manier na te denken over hoe stad en industrie beter met elkaar kunnen samengaan.

    “Lange tijd waren industrie en wonen gemengd in de stad. Pas in de twintigste eeuw kwam radicaler het idee naar voren dat die steeds zwaarder wordende industrie buiten de stad, uit het zicht van de stadsbewoners, moest worden geplaatst. Je ziet dat nu met name in het Westelijk Havengebied.”

    De randen van die industriegebieden worden door uitbreidingsdrift langzaam door de stad opgegeten. Majoor: “Wil je daar toch gaan bouwen, dan is het een verantwoordelijkheid voor de bedrijven om te verduurzamen. Anders zullen ze ruimte moeten maken, maar dat is natuurlijk een enorme impactvolle verhuizing.”

    De verantwoordelijkheid alleen bij de bedrijven leggen, daar is volgens Kees Noorman, directeur van ondernemers vereniging ORAM, geen ruimte voor: “Op het moment dat hier woningen komen terwijl de bedrijven hier nog zitten, dan krijg je direct problemen met de milieuvergunningen. Bovendien kunnen de bedrijven geen kant op: ze kunnen niet worden uitgekocht, want de gemeente wil er geen geld voor geven, en er zijn geen alternatieve locaties voor handen. Dan zeg ik: stop maar met je plannen, want dan gaat er dus niet gebeuren.”

    Tegenslag

    De ontwikkeling van Haven-Stad gaat niet zonder slag of stoot. Zo zouden er op het Cornelis Douwesterrein in Noord vanaf 2029 9600 woningen moeten komen, maar de provincie stak daar een stokje voor, omdat scheepswerf Damen dan zou moeten verhuizen, terwijl nog geen alternatieve locatie gevonden was.

    Het is niet de eerste keer dat de gemeente tegenslag ervaart bij een bouwproject. Vorig jaar blokkeerde de Raad van State nog woningbouwplannen in het toekomstige Hamerkwartier vanwege de nabijgelegen chemische fabriek Ketjen.

    Lastig te meten

    Stankoverlast objectief meten is lastig, niet alleen omdat wat als stank wordt ervaren behoorlijk verschilt per mens, maar ook omdat de huidige meetapparatuur het reukvermogen van de mens niet voldoende benadert. Bewoners van de NDSM en Tuindorp-Oostzaan maken regelmatig melding van een weëige, zoete geur, of juist een plasticwalm.

    Het meten van de emissie van de overlastgevende bedrijven is mogelijk nog lastiger. Wethouder Reinier van Dantzig (Ruimtelijke Ordening) liet afgelopen november nog weten geen nieuw luchtmeetpunt in Tuindorp-Oostzaan te willen plaatsen, omdat de belangrijkste stoffen die door ICL worden uitgestoten (zoutzuur en fluorwaterstof) niet goed te meten zouden zijn.

    Volgens Hugo van Belois kan het best in de schoorsteen van het overlastgevende bedrijf gemeten worden. De Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied heeft de afgelopen tijd vier van zulke luchtmetingen gedaan bij ICL, waarna het bedrijf een dwangsom opgelegd kreeg, omdat uit de eerste meting naar voren kwam dat het bedrijf te veel zoutzuur uitstootte. De resultaten van de andere drie metingen zijn nog niet bekend. De komende tijd zal het bedrijf nog onaangekondigde metingen gaan uitvoeren.

    Woningnood

    Amsterdam gaat in 2030 richting de 1 miljoen inwoners. Niet bouwen in de meest milieubelaste gebieden van Haven-Stad is volgens de gemeente dan ook geen optie: 

    “De gemeente heeft steeds vaker te maken met botsende belangen, bijvoorbeeld het belang van woningbouw met dat van een bedrijf, en dat gaan we vaker zien. De gemeente houdt vast aan de strategie om in de bestaande stad te bouwen, dichtbij maatschappelijke voorzieningen en infrastructuur, zoals openbaar vervoer. Maar dat het een hobbelige weg is richting die woningbouw, dat is duidelijk.”

    “Uiteindelijk is de vraag: wat voor stad wil Amsterdam zijn?”, zegt Majoor. “Is dit ook een stad voor zware industrie? Ik denk dat een stad die zich maar op één aspect van de economie stort, bijvoorbeeld alleen economie of IT, uiteindelijk kwetsbaar is. Maar dat betekent tegelijkertijd dat de industrie zich moet ontwikkelen naar een stuk schoner.”

    “Dat moeten we ook”, aldus Noorman, “want de normen worden steeds strenger. Ik denk dat de bedrijven ook echt de intentie hebben en de investeringen zouden willen doen om die effecten te verminderen, maar daar moeten ze wel hulp bij krijgen. Als zulke investeringen zouden leiden tot meer woningbouw, dan zal de stad daar hopelijk aan willen bijdragen.”

    Door: Mirjam Eeken

    Gemeente informeerde bewoners NDSM niet over vervuilende industrie terwijl dit wel was afgesproken

    Live Journalism
    AT5

    De gemeente heeft sinds 2008 verzaakt om bewoners van de NDSM-werf in Noord te laten informeren over de vervuilende industrie in de naastgelegen Westpoort. Daarmee heeft ze zich niet gehouden aan afspraken die ze met vier industriële bedrijven maakte. Wethouder Reinier van Dantzig erkent dat het is misgegaan: “De nieuwe bewoners hadden geïnformeerd moeten worden en dat is niet gebeurd.”

    “Om de dag ruiken we een gekke geur, heel scherp en intens. Je keel en neus gaan jeuken. Zelfs als ik de ventilatie aanzet, ruik ik de geur nog in m’n huis.” De van oorsprong Italiaanse Giada Tamborrino woont sinds 2021 op de NDSM-werf. Direct nadat ze de woning betrok begon de stank haar op te vallen. “Je kan er niet omheen, dat is heel frustrerend.”

    Robert-Jan de Laat herkent de problemen. Hij heeft nu nog een huurhuis op de NDSM, maar wacht op de oplevering van zijn koophuis, een paar honderd meter verderop. “Toen we het huis kochten, wisten we nog niet hoe groot de overlast zou zijn en nu kunnen we niet meer onderuit.”

    Kunstmestbedrijf ICL ruikt naar verbrand rubber en de sojafabriek van Bunge naar weeïg zoethout. De bewoners kunnen de geuren van de verschillende bedrijven inmiddels moeiteloos onderscheiden. Ten minste wekelijks kunnen ze hun raam niet opendoen vanwege de stank.

    En zelfs binnen gaat het niet altijd goed, doordat de lucht de ventilatiesystemen binnenstroomt. “Ik word er ’s nachts wakker van, ik krijg rode ogen en ik voel het in mijn longen”, aldus De Laat. “Je weet gewoon niet wat je inademt.”

    Convenant

    Eind 2008 sloot de gemeente een convenant met vier bedrijven: Bunge Netherlands, HES Bulk Terminal Amsterdam, ICL en Eggerding. Daarin werd afgesproken dat de gemeente ervoor zou zorgen dat de marktpartijen de nieuwe bewoners van de NDSM-werf in hun erfpachtcontracten zou informeren over de nabijgelegen industrie. Deze zogenaamde bewustwordingsclausule moest ervoor zorgen dat huurders en kopers op de hoogte waren van de milieu-aspecten van hun toekomstige woonsituatie.

    Bewoners van de Houthavens vinden deze clausule terug in hun contract, maar de gemeente erkent nu dat dit op de NDSM-werf niet goed is gegaan. Wethouder Reinier van Dantzig laat weten hier onlangs achter te zijn gekomen en nog uit te zoeken hoe dit heeft kunnen gebeuren.

    Ontevreden bedrijven en bewoners

    De vier betrokken bedrijven trokken afgelopen week aan de bel bij de gemeente. In een gezamenlijk opgestelde brief, in handen van AT5, uiten ze hun onvrede over het handelen van de gemeente: “De bedrijven spreken in deze brief hun teleurstelling uit over het feit dat de gemeente Amsterdam de met hen in 2009 vastgelegde afspraken niet is nagekomen. Afspraken waarin bedrijven en gemeente elkaar konden vinden in het mogelijk maken van woningbouw naast industriële bedrijvigheid.” 

    Tijdens een overleg met de gemeente op 16 september jl. zijn de bedrijven er naar eigen zeggen achter gekomen dat de gemeente heeft nagelaten om projectontwikkelaars en (toekomstige) bewoners te informeren. Bewoners van de NDSM-werf hebben het convenant tussen de bedrijven en gemeente op dat moment al in handen na het indienen van een Woo-verzoek. De gemeente worstelt ermee hoe nu verder om te gaan met dit Woo-verzoek.

    Milieuzone

    De bedrijven nemen het de gemeente kwalijk dat zij in toenemende mate klachten van omwonenden krijgen. Zij menen dat dit voorkomen had kunnen worden, wanneer nieuwe bewoners van de voorwaarden op de hoogte waren geweest.

    De Laat: “Ik had wel gezien dat er bedrijven in de buurt waren, maar in principe is Amsterdam een groene stad. Eigenlijk is alles binnen de ring een milieuzone, behalve dit stukje aan de overkant van het IJ. Ik had niet verwacht dat de stank en uitstoot zo’n impact zouden hebben op mijn leven.” 

    Vorige week bracht De Laat een bezoek aan wethouder Van Dantzig. Hij overhandigde hem een zwartboek met persoonlijke ervaringen van zestig bewoners van de NDSM-werf. “Tijdens het opstellen van dat zwartboek kwamen we erachter dat wij niet de enigen waren die geen clausule in ons contract hadden staan; niemand bleek hiervan te weten.”

    Intussen denkt Giada Tamborrino na over verhuizen: “Ik kan soms niet naar buiten, je voelt je opgesloten in je eigen huis. Maar aan de andere kant wil ik dat dit probleem gewoon ophoudt in plaats van er een volgende bewoner mee op te zadelen.”

    Tamborrino is daarom een Instagrampagina begonnen om bewoners te informeren over de mogelijkheden om overlast te melden: “Elke keer dat je overlast ervaart kun je een melding maken bij de Omgevingsdienst. Dat wist ik jarenlang niet, net als dat ik langs niet wist waar de stank precies vandaan kwam. Nu ik dat wel weet, wil ik anderen daarvan op de hoogte stellen.”

    Maar boven alles hoopt ze dat de overheid ingrijpt in het toestaan van vervuilende industrie. “ICL mag nu zelfs tot 2040 blijven. Er is echt actie nodig.”

    Reactie woordvoerder Reinier van Dantzig (wethouder)

    “Om ervoor te zorgen dat er woningbouw plaats kon vinden op de NDSM-werf en Houthavens, zonder jarenlange procedures van omliggende bedrijven, heeft de gemeente in 2009 afspraken gemaakt met die bedrijven in Westpoort. Helaas is de gemeente daarna een afspraak met de bedrijven niet nagekomen, namelijk het goed laten informeren van de nieuwe bewoners van de NDSM-werf over het feit dat hun woning in de buurt staat van deze bedrijven en hun bedrijvigheid.

    Kortom, de nieuwe bewoners hadden moeten worden geïnformeerd en dat is niet gebeurd. De gemeente is daar onlangs achter gekomen en zoekt nog uit hoe dit heeft kunnen gebeuren. De bewoners van de NDSM worden hier binnenkort per brief door de gemeente over geïnformeerd.”

    Gezamenlijke reactie convenantbedrijven (Bunge Netherlands, HES Bulk Terminal Amsterdam, ICL en Eggerding)

    “Als convenantbedrijven zijn wij onlangs op de hoogte gesteld door de gemeente dat zij niet conform het convenant hebben gehandeld. We hebben de gemeente middels een brief laten weten wat we hiervan vinden en vragen hen met een oplossing te komen voor de ontstane situatie. Over deze oplossing gaan we graag met de gemeente in gesprek.”

    Door: Mirjam Eeken

    24-uurszorg voor ouderen slecht geregeld: “Belanden in het weekend op de eerste hulp”

    Live Journalism
    AT5

    Om de zorgcrisis te beteugelen zet Amsterdam vol in op langer thuis wonen voor ouderen, onder andere in speciale flats met zorg in de buurt. Tijdens kantooruren gaat dat goed, maar in de avonden, nachten en weekenden is de zorg nog slecht geregeld.

    Amsterdam vergrijst. Was in 2022 nog 19 procent van de Amsterdammers 65 jaar of ouder, in 2040 is naar verwachting een kwart van de inwoners 65-plusser. Het aantal 85-plussers verdubbelt zelfs. Dat betekent ook een grotere zorgvraag. Maar wat betekent dat voor het zorgpersoneel?

    Caspar Bomers is wijkverpleegkundige in Buitenveldert en gaat vandaag langs bij Ron. Hij krijgt drie keer per week thuiszorg, vanwege een probleem met zijn bloedvaten, waardoor er vocht ophoopt in zijn benen. Rons huis is sterk vervuild; het lukt hem niet meer om zelf op te ruimen of schoon te maken. Tussen de koffiekopjes en volle asbakken trekt Bomers zijn handschoenen aan om Rons wond te verzorgen.

    Bomers: “Wij moeten zoveel mogelijk steriel werken, maar dit is geen steriele omgeving. Dat komt de wond ook niet ten goede. Ik probeer wel zo steriel mogelijk te werken, je ziet mij heel vaak handschoentjes verwisselen en mijn handen desinfecteren, maar feit blijft dat we werken in een vuile omgeving.”

    Ron staat inmiddels een half jaar op de wachtlijst voor huishoudelijke hulp, die door de Wet maatschappelijke ondersteuning wordt vergoed. Maar de wachttijden lopen in Amsterdam op tot een jaar. Bomers: “Vaak zie je dat als de hulp komt de woning zo vervuild is dat ze er niet tegenop kunnen werken.”

    Coördinerende rol

    De wijkverpleegkundige heeft een coördinerende rol in het zorgproces bij thuiswonende ouderen. Ze werken nauw samen met andere instanties, zoals de huisarts. Bomers ziet dat de huisarts consulten met patiënten steeds vaker telefonisch of via een foto doet: “Dat komt het zorgproces niet ten goede.”

    Amsterdam zet vol in op langer thuis wonen, bijvoorbeeld via Lang Leven Thuis-flats: woonvoorzieningen waar ouderen zelfstandig maar met hulp kunnen blijven wonen. In 2030 moeten er dertig van die flats in gebruik zijn. De huisarts in de buurt is dan vaak het eerste aanspreekpunt. Dat betekent ook dat die er soms ineens een hele groep ouderen als patiënt bij krijgt.

    Jeroen Baars is huisarts in Oost en startte vanuit de Amsterdamse Huisartsenalliantie het project Beter Oud Amsterdam om de zorg voor kwetsbare ouderen te verbeteren. Een van de doelen was om in elke huisartsenpraktijk een medewerker aan te stellen die zich alleen op ouderen richt, een zogenaamde POH-Ouderen. Die medewerkers proberen proactief contact met ouderen te zoeken in plaats van te wachten tot ze zich met problemen melden.

    Huisarts als aanspreekpunt

    Inmiddels heeft zestig procent van de Amsterdamse praktijken zo’n praktijkondersteuner. “Maar nu loopt het een beetje spaak vanwege het tekort aan zorgpersoneel”, aldus Baars.

    Baars: “Kwetsbare ouderen woonden tot een tijdje gelden nog in een verpleeghuis, waar een verpleeghuisarts de zorg leverde. Die heeft veel meer expertise op het gebied van kwetsbaarheid als het bijvoorbeeld gaat om delirant gedrag, heel complexe wondzorg of mensen die tegen hun zin zorg moeten krijgen met een rechterlijke machtiging. Als huisarts zijn we niet de specialist op dat gebied.”

    De huisarts is dus het eerste aanspreekpunt voor thuiswonende ouderen. De zorg in de avonden, nachten en weekenden gebeurt via de huisartsenpost. Huisartsen komen daar in aanraking met ouderen die complexe zorg nodig hebben. Baars: “Net als dat wij als huisarts niet zijn om een blindedarmontsteking te opereren, zo zijn we er ook niet voor heel complexe ouderenzorg. Je ziet in die vierentwintiguurdiensten dat huisartsen zich soms gedwongen voelen om zaken te doen die buiten hun expertise liggen.”

    Kaarsje omgestoten

    Voor die complexe zorg is de specialist ouderengeneeskunde, met wie de huisartsen in nauw contact staan. Doordeweeks kan de specialist worden opgeroepen voor een consult, maar buiten kantooruren niet. Baars ziet daardoor vaak ouderen in het ziekenhuis belanden, terwijl hij ze eigenlijk thuis zorg wil kunnen bieden.

    “Laatst was bij een patiënt een kaarsje omgevallen. De woning was onbewoonbaar verklaard en die persoon kon eigenlijk nergens naar toe. Ik dacht dat we daar goede regelingen voor hadden en dat ze tijdelijk naar een revalidatie- of een logeeradres kon, maar dat bleek in het weekend allemaal niet mogelijk. Uiteindelijk is die persoon in het ziekenhuis opgevangen door de geriater, maar die zei: ‘Dit kan echt niet. Deze persoon is niet ziek, dus die hoort niet bij mij thuis.'”

    Wal en schip

    Voorbeelden als deze laten zien hoe het op dit moment misloopt tussen de verschillende zorgorganen. Specialist ouderengeneeskunde Olav Schuth probeert via het Netwerk Ouderengeneeskunde Amsterdam de huisartsen te ondersteunen, maar erkent dat mensen nu soms tussen wal en schip vallen.

    “Een van de redenen is dat er vaak reactief op problemen wordt gereageerd door onder andere de huisarts, maar ook door het ziekenhuis of de omgeving. Vaak komen mensen pas in beeld als er klachten zijn. Het is belangrijk dat we snel een duidelijk beeld hebben over het totaalplaatje thuis, omdat je dan meer kan anticiperen op eventuele problemen.”

    Zowel de wijkverpleging als de huisartsen zien dus een toename aan complexe zorg. Moet de specialisten ouderengeneeskunde dan niet gewoon oproepbaar zijn in het weekend en tijdens de avonduren? Het is een van de mogelijkheden die Schuth momenteel onderzoekt. “Dat zou telefonisch kunnen, maar misschien zijn er situaties waarin dat fysiek nodig zal zijn. Soms is het idee van dat je bereikbaar bent al een enorme ontlasting voor de huisarts. Ik denk dat het belangrijke is dat we daarover in gesprek blijven.”

    Steunkousen

    Wijkverpleegkundige Bomers hoopt in elk geval dat de verschillende instanties beter met elkaar gaan samenwerken om de vergrijzing hanteerbaar te houden: “Nu zie ik te vaak mensen die tussen wal en schip vallen: te goed voor het ziekenhuis, maar te slecht om alleen thuis te wonen. En dan staan wij daar elke dag in huis.” 

    Bomers besluit: “Ik weet dat de thuiszorg een stoffig imago heeft. Het is keihard werken, maar ik ben onderdeel van het leven van mijn cliënten. We delen goede en slechte momenten, het is echt veel meer dan steunkousen aantrekken.”

    Door: Mirjam Eeken