Amper rondkomen: wel de lasten, niet de lusten

Na drie maanden portretteren weten we wie we zoeken. Een les: we moeten verder kijken dan het inkomen.

Iedereen die het niet breed heeft, kampt wel eens met een inkomensdip, moet soms even op de centen letten en is niet altijd in staat om een kapotte wasmachine te vervangen. Je beroept je op je spaarvarken, eet goedkoper en gaat een paar weken niet naar de film.

Maar wanneer wordt het precair? Wanneer zijn die ‘overlevingsstrategieën’ onvoldoende, is de rek eruit? En is het acceptabel, als welvarend land, dat een huishoudelijke hulp in de thuiszorg – letterlijk opgetekend – zegt dat “af en toe droog brood eten erbij hoort”? Na drie maanden zoeken en optekenen van individuele verhalen, weten we wie we zoeken. En hoe divers die groep is.

Die tijd was nodig. Mensen die tussen wal en schip vallen, zie je niet. Zij die geen gebruik kunnen (of willen) maken van gemeentelijke regelingen, zitten niet in de kaartenbakken van de gemeente. En de groep is zo divers, van schoonmaker tot postbode, van zzp’er tot oproepkracht, dat zoeken volgens een setje vastgestelde ‘profielkenmerken’ onmogelijk is.

Wat we wel weten, is dat ‘amper rondkomen’ niet alleen ligt aan een mager inkomen. Hoge uitgaven zijn minstens zo bepalend. Des te meer in een hele dure stad als Amsterdam, waar de huren, huizenprijzen, gemeentelijke belastingen en andere vaste lasten hoger zijn dan elders in het land. Waar een plotse helmplicht, omdat de gemeente snorscooters naar de rijbaan verplaatst, voor sommigen een rib uit het lijf kan zijn.

Ook gezondheid, opleidingsniveau, woon- en gezinssituatie en sociaal netwerk kunnen iemands kansen op een leefbaar bestaan kraken of verbeteren. Zo krijgt buurtwerker Selma (1278 netto per maand) de medicatie voor haar zoon met ADHD niet vergoed, en ziet hotelbeveiliger Marcel de hap uit zijn loon groeien door de gevolgen van een scheiding (nieuw huis, advocaat).

En dan de beleving. We spraken een fietsgids annex schoonmaker die juist niet wakker lag van een ‘jaarinkomen van max. 15.000’ bruto. Ver onder het wettelijk sociaal minimum van 19.389 euro, maar met ‘zuinig leven’ redde ze het wel, vertelde ze. Uiteindelijk wilde ze geen portret. We gaan iemand ook geen armoede aanpraten.

Armoede is bovendien een politieke term. Elke gemeente bepaalt zijn eigen armoedegrens en heeft zijn eigen regelingen.  En om het nog ingewikkelder te maken: landelijke instanties hanteren óók verschillende definities. Het CBS gebruikt de lage inkomensgrens, gemeenten hanteren het wettelijk sociaal minimum (WSM). Zo bepaalde Amsterdam dat mensen die 120% van het WSM verdienen arm zijn, en dus in aanmerking komen voor een hele trits aan regelingen. Het SCP en het Nibud spreken van het basisbehoeftenbudget en het niet-veel-maar-toereikend budget (1063 euro  per maand voor een alleenstaande, 2000 euro voor een gezin met twee kinderen), het geld dat een zelfstandig huishouden minimaal nodig heeft om onvermijdelijke en basale zaken als voedsel, kleding, wonen en zorg en ontspanning te kunnen betalen.

‘Onze’ werkende Amsterdammers vallen daar allemaal net boven of buiten, of zijn niet in beeld. Om uiteenlopende redenen. Wie zijn dat dan? Mensen voor wie werken niet of nauwelijks loont. Vaak zelfstandig, oproep-, uitzend-, invalkracht of deeltijder, voor wie dat werk het hoofdinkomen is. Die net teveel verdienen of teveel vermogen hebben voor gemeentelijke hulp, maar te weinig om iets opbouwen. Of het vermogen zit in teveel overwaarde op het huis. Het gaat om mensen die geen keuze hebben, en geen goedverdienende levenspartner. Of een partner hebben die juist net iets teveel verdient,  waardoor ze samen nergens recht op hebben. Het gaat om mensen die een nieuwe wasmachine niet zomaar kunnen ophoesten. En nee, ook een kunstenaar met een flinke studieschuld schoolt zich niet snel om. Dus zeggen dat die er écht zelf voor heeft gekozen, zoals we soms horen, lijkt toch te makkelijk.

Is er dan ook een bovengrens aan die financiële kwetsbaarheid, vroegen we ons af. Die ook relevant is voor Amsterdam. Want dan krijg je beter zicht op de omvang van de groep. Met het ‘niet-veel-maar-toereikend’ budget van 1063 euro van het SCP, waar je ook een korte vakantie van zou moeten kunnen betalen, redden de meesten het in Amsterdam echt niet. Op de fietsgids na misschien. Het gros bekostigt daarmee net een stuk huur.

Wij kijken dan ook naar de mensen die (zoals Nibud-directeur Arjan Vliegenthart ons vertelde) ‘één tegenslag verwijderd van financiële problemen’ zijn. Volgens het Nibud zou dat minstens 3550 euro spaargeld per persoon moeten zijn, om iets te vervangen of te repareren. Voor een gezin met twee kinderen is dat minstens 5000 euro. De bovengrens volgens ons ligt bij de mensen die een positief antwoord kunnen geven op de vraag of ze kunnen sparen en geen financiële stress hebben. Die een buffer hebben dus.

We mogen dan steeds beter weten wat of wie we zoeken voor ons onderzoek, een juiste benaming voor ‘onze groep’ hebben we niet. De term ‘werkende armen’ is stigmatiserend, en dekt niet de mensen die we beogen. In plaats van het hoofd te breken over een juiste term, hannesen we liever nog even door, met hen die ‘keihard werken, amper rondkomen’.

Herken jij je in dit beeld? Vind jij dat je ook tussen wal en schip valt, en dat dat verhaal verteld moet worden? Laat het ons weten, en kom naar onze volgende bijeenkomst op 19 april! Dan gaan we het ook eens over die uitgaven hebben.